Noord Nederlands Orkest

Vijf vragen aan…Anthony Fiumara

2863643809

Op 17 november gepubliceerd op de site van het
Noord Nederlands Orkest

Composer in residence bij het Noord Nederlands Orkest Anthony Fiumara maakte voor het concert ‘What’s on David Bowie’s Playlist’ onder de titel Bowie XL for orchestra een compilatie van de grote Bowie-hits. Het NNO stelde hem vijf vragen, over zijn eigen relatie tot het internationale popicoon David Bowie.

Ben je zelf een Bowie-fan?
‘Een echte fan zou ik mezelf niet durven noemen. Maar toen ik voor Bowie XL weer eens uitgebreid naar zijn werken luisterde, raakte ik weer onder de indruk van de enorme hoeveelheid hits die Bowie de wereld heeft geschonken. Wat een output! Bowie is bovendien een echte rockster. In de loop van zijn carrière heeft hij zichzelf telkens opnieuw uitgevonden en gaat hij moeiteloos mee met zijn tijd—of eigenlijk loopt hij vaak net een beetje vooruit en volgt iedereen hem daarna. En toch herken je zijn songs uit duizenden. Hoewel Bowies songs simpel lijken, zijn ze onder de motorkap vaak best complex. En er zit altijd een donkere kant in zijn muziek: zelfs ogenschijnlijk lichte tracks zoals Let’s Dance dompelt hij uiteindelijk onder in melancholie. Die onbestemde tweeslachtigheid, die zwarte diepte onder het glimmende oppervlak, die vind je ook terug in zijn uiterlijke verschijning. En zelfs in zijn twee verschillende oogkleuren.’

Wanneer kwam je voor het eerst met zijn muziek in aanraking?
‘Ik zie mezelf als kleine jongen thuis voor de televisie zitten (TopPop?) en gebiologeerd luisteren en kijken naar Sound and Vision, van de LP Low. In mijn herinnering was er een videoclip bij de muziek, maar die heb ik nooit meer teruggevonden. Misschien heb ik die er later bij verzonnen, maar zeker in zijn vroege werk vind ik Bowie bijna filmische muziek maken.’

Voor het concert arrangeerde je de nummers Space Oddity, Heroes, Life on Mars, Sound and Vision, Heathen (The Rays) en Let’s Dance. Wat zijn jouw persoonlijke Bowie favorieten?
‘Ik vind Bowie echt een album-artiest: de LP’s die hij maakte, vormen stuk voor stuk één verhaal. Op die albums staan wel nummers die ik beter gelukt vind dan andere, maar toch luister ik vaak een hele LP. Dat is bijzonder. De LP’s Low, Heroes, Station to Station en Let’s Dance zijn mijn favorieten. Zijn samenwerkingen met producers Tony Visconti, Brian Eno en Nile Rodgers leveren daar een chemie op die nog steeds van de muziek afknettert.’

Hoe pak je dat aan, zo’n bewerking van wereldberoemde nummers?
‘De opdracht was om dicht bij het origineel te blijven: de Bowie-fans moesten bij wijze van spreken met het orkest kunnen meezingen. Eerst heb ik een long list gemaakt, die ik geleidelijk aan heb ingedikt tot deze zes tracks. Ik heb gekeken welke nummers het interessantst zouden klinken voor orkest, maar ook naar een goede afwisseling tussen snelle en langzame songs. Daarna ben ik gaan puzzelen. Om het een beetje moeilijker voor mezelf te maken, heb ik de nummers in de oorspronkelijke toonsoorten laten staan. Dat betekende dat ik slimme overgangen moest maken, waardoor de songs op een natuurlijke manier in elkaar overvloeien. En ik moest een ’tonaal plan’ hebben, om te kijken hoe ik van de ene naar de andere toonsoort reisde zonder dat het ontspoorde. Ik wist meteen dat ik zou beginnen met Let’s Dance: in mijn hoofd hoorde ik het orkest die riff al spelen voordat ik hem op papier had. Dat de hoorns vervolgens Space Oddity inzetten en aankondigen, volgde daar logisch uit.’

Bowie was voor velen – ook buiten de muziekwereld – een bron van inspiratie. In hoeverre geldt dat ook voor jou?
‘Niemand in de popmuziek kan om Bowie heen: hij heeft zó veel stromingen geïnitieerd of beïnvloed, om vervolgens altijd weer zijn eigen weg te bewandelen. Dat is heel sterk. Ik denk dat ik zelf door de Low Symphony en de Heroes Symphony van Philip Glass met andere oren ben gaan luisteren naar Bowie. Glass vergroot bepaalde aspecten uit Bowies songs die ik tot dan toe niet zo bewust had waargenomen. Die persoonlijke vertaling van pop naar klassiek is zeker een inspiratie geweest voor mijn eigen bewerkingen: van Aphex Twin en Massive Attack tot Terry Riley en Brian Eno.’

"Ik ben nog steeds erg kwaad": Louis Andriessen over Mysteriën

Dit artikel verscheen op 29 augustus 2013 in Trouw, als vooruitblik op de première door het Koninklijk Concertgebouworkest. Foto: Mark Kohn

page0011

Componist Louis Andriessen droeg ooit het symfonieorkest ten grave. Nu heeft hij toch een werk geschreven voor het Concertgebouworkest, Mysteriën. "Ik heb mijn politieke bezwaren opzijgeschoven."

In het werk van Nederlands belangrijkste componist Louis Andriessen (1939) speelt het orkest een opvallend kleine rol. In de eerste plaats om politieke redenen: na zijn orkestwerk Anachronie I (een titel die verwees naar het orkest als dinosauriër in muziekland) besloot Andriessen in de turbulente jaren zestig zijn eigen ensembles op te richten. En daarmee werd de componist een van de belangrijke motoren voor de tot voor kort bloeiende Nederlandse ensemblecultuur.

Niet dat Andriessen de afgelopen 45 jaar alleen maar ‘kleine werken’ heeft gecomponeerd: zijn oeuvre reikt van solostukken tot opera’s. Elk werk vraagt bovendien om een eigen, speciale bezetting en krijgt daarmee een uniek karakter. Maar orkestwerken heeft hij sindsdien nooit meer gemaakt.

Wat dat betreft is zijn nieuwe Mysteriën, voor het jarige Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) en Concertgebouw, een breuk met dat lang volgehouden standpunt. En misschien komt dat wel door de vasthoudendheid van de artistiek directeur van het KCO Joel Fried, die Andriessen drie jaar lang probeerde over te halen een nieuw werk voor zijn orkest te schrijven.

“Ik vroeg Fried hoe hij in godsnaam op dat idee was gekomen”, zegt Andriessen. “Ik had altijd dezelfde argumenten: ten eerste bevalt het orkestrepertoire me niet. En hebben orkestmusici te weinig ervaring met de manier waarop mijn muziek gespeeld moet worden. Bovendien interesseert de bezetting me weinig. Ik wil bijvoorbeeld niet dat vette, zware strijkorkest maar wel een hoop andere instrumenten die niet in het orkest zitten. Enfin, zo zat ik maar wat te mopperen. Dat heb ik een hele tijd volgehouden, met het gevoel dat er nooit wat zou veranderen.”

Ten slotte vroeg Fried of Andriessen een werk zou willen maken voor het gezamenlijke 125-jarige jubileum van orkest en gebouw. Belangrijk argument voor Andriessen was daarbij dat hij het KCO mocht uitdunnen en dat hij instrumenten mocht aantrekken die niet standaard in het orkest zitten. Basgitaren en saxofoons bijvoorbeeld. Met andere woorden: Andriessen mocht doen wat hij wilde.

“Toen kwam het politieke argument naar boven”, zegt de componist. “Daar ben ik niet uit gekomen. Er is eigenlijk niks veranderd sinds de jaren zestig. Het is zelfs erger geworden. De dingen die mijn generatie voor elkaar heeft gekregen, zoals de ensembles, zijn intussen allemaal afgeschaft. Ik heb daar heel lang over na moeten denken. Ik had ook geen zin in het verwijt dat ik als oude notenkraker nu ineens voor orkest ging schrijven. Alsof ik daarmee een verrader zou zijn.”

Uiteindelijk schoof Andriessen zijn politieke bezwaren opzij: “Anders stop je als componist een prop in je eigen mond. Je kunt dan geen kant meer op. Ja, je kunt trio’s of kwartetten gaan schrijven. Maar meer zit er dan niet in.”

Is Mysteriën het bewijs dat het symfonieorkest niet ten dode is opgeschreven? En dat dat instituut de jaren zeventig heeft overleefd? “Dat het zo is gelopen, is maar schijn. Dat komt omdat we een ultrarechtse regering te hebben, die uitsluitend doet wat het bedrijfsleven wil. Die chique dingen zoals het KCO, die laten ze een beetje met rust. Daar wordt van gezegd dat het goed is voor de buitenlandse betrekkingen. Maar de rest van de cultuur is volgens hen toch maar gekkigheid. Ik wil nog wel eens zien hoe het er over vijftig jaar uitziet. Je kunt misschien wel zeggen dat die orkesten goed bezig zijn, maar sommige hebben de hele twintigste eeuw intussen overgeslagen. Terwijl ze zich daar goed in zouden kunnen thuisvoelen. Maar dat is gelukkig hun zorg, niet de mijne.”

In eerste instantie zocht hij zijn inspiratie bij de vroege meerstemmigheid van de renaissancecomponist Guillaume Dufay, want van de negentiende-eeuwse Duitse muziek moet hij nog steeds niet veel hebben. “Maar hoe meer ik over het nieuwe werk nadacht, hoe duidelijker mijn vader [de componist en organist Hendrik Andriessen, AF] en zijn vrienden me voor ogen kwamen. De componist Alphons Diepenbrock bijvoorbeeld, die ik altijd heel hoog heb geacht. En natuurlijk Matthijs Vermeulen. Langzaam verschoven mijn gedachten over het stuk zo naar het begin van de twintigste eeuw. En op een gegeven moment zag ik mijn overleden vader naast me staan, die zei ‘Ach jongen, dat moet je nou maar doen;’.”


Radicale gekkigheid



In diezelfde periode pakte Andriessen De navolging van Christus van Thomas a Kempis uit zijn boekenkast, een boek uit de nalatenschap van zijn vader. “Het is een soort Lao Tze van radicale gekkigheid. Toch is dat kleine missaaltje me heel dierbaar. Mijn vader heeft twee liederen gemaakt met teksten uit dat boek: Fiat Domine en Magna res est amor.”

De mystiek vormde al vaker het onderwerp in Andriessens werk. Het lijkt een tegenstrijdigheid dat zo’n actieve links-politieke kunstenaar zich bezighoudt met dat katholieke erfgoed. “Door mijn opvoeding heb ik een natuurlijke verbintenis met alles wat raadselachtig is”, aldus Andriessen. “Dat lijkt me de beste manier om het te zeggen. Vandaag de dag beschouw ik godsdienst, kunst of filosofie allemaal als ideeën die zich in de creatieve geest van de mens afspelen. Daar hoort politiek ook bij. Waarom wij als provo’s de straat opgingen om tegen de oorlog in Vietnam te protesteren, was omdat we een betere wereld wilden.

“‘De wereld is er om uiteindelijk te leiden tot theater’, zegt Mallarmé al. Als je er zo over nadenkt, maakt het allemaal niet zoveel uit. Of ik gelovig ben? Wat nou gelovig? Ik geloof toch ook in Hamlet, of in Medea? Dat zijn allemaal interessante, niet-bestaande figuren. En dan kan je ook over goden praten, dat maakt mij niet zoveel uit. Met een beetje goede wil kan je zeggen dat mijn stukken op tekst, vanaf het Vietnamlied via De Staat en De Tijd tot en met La Commedia, allemaal over dat theater van de wereld gaan. Die lijn ontwikkelt zich van politiek naar – noem het maar even mystiek als je wilt. Maar filosofie is een beter woord, vind ik.”

Andriessen besloot een orkestwerk in zes delen te schrijven. Elk van de delen draagt een hoofdstuktitel die ontleend is aan De navolging van Christus. Waar de componist in eerste instantie in zijn gedachten over het nieuwe stuk A Kempis verbond met diens tijdgenoot Dufay, bleek hij de saxofoons en basgitaren helemaal niet nodig te hebben. En hield hij een min of meer gewoon orkest over: twee piano’s, twee harpen (plus een harp die een kwarttoon lager gestemd is), geen fagotten. En een kleiner strijkorkest dan normaal – dat dan weer wel.

“De keuze van de titels voor de delen lag vast toen ik begon aan het eerste deel. Rond die tijd ontstond ook de titel van het hele stuk, Mysteriën. Het heette aanvankelijk ‘Het grote zwijgen’ en het had toen een politiekere strekking. Want die tekst van Nietzsche is geen pretje. Diepenbrock zag er prachtige natuurbeschrijvingen in, maar Nietzsche is er erg boos op het grote zwijgen van de zee. Zo van ‘praatjesmaker, lig je daar een beetje aanstellerig te zwijgen’. Ik ben nog steeds erg kwaad over wat er zich op dit moment in de politiek afspeelt. Niet alleen op cultureel gebied.”

Is die politiek uiteindelijk niet in het stuk terecht gekomen? “Dat is nog maar de vraag. Dat zwijgen heeft een mysterieus karakter, vooral in het derde en centrale deel ‘Wat de waarheid ons zegt zonder het lawaai van woorden’. Dat is in wezen een pleidooi voor de stilte, er gebeurt bijna niks. Ik moest denken aan het woord ‘nauwluisterendheid’, ooit gemunt door de Stichting Huygens Fokker, die zich met kwarttoonmuziek bezighoudt. Zo kwam ik op het idee om kwarttonen te gebruiken in een deel van het orkest: je moet heel goed luisteren wil je die stem, van God of van de wijsheid of wat dan ook, kunnen horen.”


Wereldse ijdelheden

Andriessen noemt zijn delen ‘fresco’s’, niet een soort kruisweg waar een verhaal aan ten grondslag ligt. Het is volgens hem alsof je een kerk binnenloopt en zes schitterende afbeeldingen ziet, waarvan je niet onmiddellijk weet wat ze voorstellen.

Zijn keuze voor contrasterende titels en onderwerpen gaf hem de mogelijkheid verschillende muzikale onderwerpen aan te snijden. “Het eerste deel gaat over de ‘wereldse ijdelheden’: in dit geval veel noten. Iedereen heeft het heel druk met zichzelf en gedraagt zich belangrijk, uitmondend in een koraal. De onrust steekt drie keer de kop op, en wordt iedere keer tot de orde geroepen door strenge klokken. In deel twee hoor je de typische Andriessen, met een melodie waarvan veel mensen denken ‘waar lijkt die op’? Maar dat ga ik je niet vertellen. Het is een belangrijk thema, dat later in het werk terug komt.

“In het vierde deel citeer ik het Magna res est amor van mijn vader, zeer vertraagd en met een litanie-achtige reactie. In het vijfde deel doe ik iets dat eigenlijk niet kan: ik laat muziek horen die tegelijkertijd snel en langzaam is. Simpele noten, die een beetje doen denken aan Amerikaanse orkestmuziek uit de jaren vijftig en zestig.”

Het zesde en laatste deel, ‘De overweging van de dood’, was het moeilijkst om te maken, zegt Andriessen. Dat kwam doordat het deel daarvóór bijna triomfantelijk eindigt, alsof het een finale is. Het slotdeel werd een soort catharsis, maar niet alleen een berusting: “Aan het eind komt nog een laatste uitbarsting, als een schreeuw. En vervolgens doe ik alsof er niets is gebeurd, met een prachtig langgerekt A-majeur-akkoord.”

Is dat niet gewoon een ‘amen’, na alles? “Nee, dat is het niet. Want het bestaat maar uit één lettergreep: ‘A!’, of ‘Ho!’, of zo.”

Andriessen Mysteriën en Gordon 'Decasia', door het NNO onder Kasper de Roo:
17/4 Oosterpoort, Groningen; 18/4 De Doelen, Rotterdam.

Interview in Dagblad van het Noorden

20141003 Dagblad van het Noorden interview

As I Opened Fire

8513867_1
Eigenlijk was de partituur van mijn nieuwe orkestwerk voor het Noord Nederlands Orkest 15 augustus al af. Het kost dan altijd nog een week of twee om de puntjes op de i te zetten, partijen te maken en eindredactie te doen. Niks is zo vervelend als onduidelijkheden in partituur of partijen tijdens orkestrepetities.

In de laatste fase van het componeren diende zich ook de uiteindelijke titel van het stuk aan. Ik weet niet hoe het bij andere componisten werkt, maar bij mij verandert een stuk in de loop van het maakproces soms wel acht keer van titel. Ik vind dat de naam iets moet zeggen over het stuk. Dat kan een verwijzing zijn naar iets dat ik diep in het geheugen van de muziek heb verstopt. Maar zo'n titel kan ook duidelijk zijn voor iedereen.

In dit geval verwijst de titel As I Opened Fire naar het gelijknamige schilderij van de Amerikaanse pop-artist Roy Lichtenstein. Lichtenstein baseerde zijn drieluik op tekeningen uit een stripverhaal, die hij in een min of meer verhalende volgorde presenteerde: een kort moment in een vliegtuiggevecht.

Lichtenstein legde de nadruk op primaire kleuren, zwarte contouren en uitvergrote rasterpunten die je vaak vindt in mechanische reproducties. Het ging hem meer om het beeld dan om het thema van de oorlog. “Highly emotional content, yet detached impersonal handling”, zo omschreef hij zelf ooit zijn streven als kunstenaar.

Het is niet zo dat de titel van dit ‘essay voor orkest’ (zoals de ondertitel luidt) al vaststond toen ik er aan begon, of dat Lichtensteins werk de inhoud van mijn muziek op enige manier heeft bepaald. Artistiek manager Marcel Mandos vroeg me een snel en uitbundig werk te schrijven voor het NNO. Muziek die kon dienen als feestouverture voor de opening van het vernieuwde Schouwburg De Lawei.

Tijdens het componeren schoot me de l'Homme armé-melodie te binnen, een martiaal lied uit de veertiende of vijftiende eeuw dat in (of moet ik zeggen vanaf?) de Renaissance veel is geleend door andere componisten.



l'Homme armé paste wonderlijk genoeg naadloos op het materiaal waarmee ik aan het werk was. Het verschijnt als melodie boven het hoornkoraal en het speelt een belangrijke rol aan het slot.

De muziek van As I Opened Fire is er een van primaire kleuren, omlijnde contouren en uitvergrote rasterpunten — om maar in de cartooneske beeldspraak te blijven. Voeg daar l'Homme armé bij en je begrijpt waarom ik de titel leende van Lichtenstein.

Of zo'n strijdlied bij de feestelijke opening van de vernieuwde Schouwburg De Lawei past? Net zoals bij Lichtenstein gaat het ook bij mij meer om de klank dan om het onderwerp. As I Opened Fire is een lijfelijk stuk geworden, met veel vaart. En met drama, zwarte wolken die zo nu en dan voor de zon schuiven.

Een vriend en collega dacht bij het bekijken van As I Opened Fire aan La Valse of aan de Bolero van Maurice Ravel: ook daar danst de obsessieve muziek zichzelf grimlachend kapot.

As I Opened Fire is een echt feest. Maar misschien niet voor onder de 16.

K.I.S.S. (Keep It Simple, Stupid!)

koraal

Mijn orkestwerk (een ouverture) voor het Noord Nederlands Orkest begon de afgelopen maanden met een koraal dat ik op de piano (lees keyboard) uitvogelde. Twee keer een voorzin en een nazin, twee keer van mineur naar majeur, een kleine terts uit elkaar. Het lag lekker onder mijn vingers en het klonk meteen goed. In gedachten hoorde ik deze vierentwintig maten in de koperblazers verschijnen: luister hier. Als opening misschien?

De vorige keer had ik het over snelheid. Tempo tempo tempo moest het nieuwe stuk hebben en lichtheid, geen zwaarmoedigheid. Ik bedacht een dalende sequens voor in de strijkers waar ik meteen ideeën van kreeg voor het verloop van het stuk: luister naar de strijkers

Dit werden de twee elementen waar ik mee aan het werk ging. Dit moest de basis voor mijn nieuwe werk worden. Het lijkt weinig, maar het bleek inderdaad voldoende materiaal om een langer orkestwerk mee op te bouwen.

Ik heb de afgelopen tijd met plezier gelezen in Le Freak, de autobiografie van Nile Rodgers. Voor wie hem niet kent: Rodgers is gitarist en oprichter van de band Chic, maar hij is ook producer van heel veel klassiek geworden popalbums. Van Madonna en Duran Duran tot David Bowie: Rodgers heeft een groot deel van de soundtrack van de jaren tachtig geschreven en noemt zich op zijn website terecht 'hitmaker'. ZIjn biografie is echt het lezen waard. Het begint bij zijn jeugd als zoon van twee drugsverslaafden en het eindigt met veel pieken en dalen in het nu.

Maar dat terzijde. In zijn Chic-tijd met bassist Bernard Edwards had Rodgers bij het componeren het adagium K.I.S.S., een acroniem dat stond voor Keep It Simple, Stupid! Rodgers had de neiging om met ingewikkelde akkoordenschema's aan te komen zetten (een erfenis uit zijn jazzjaren), maar daar zat volgens Edwards niemand op te wachten. Edwards had gelijk.

Om van mijn ideeën een orkestwerk te maken, moet ik het Chic-adagium eigenlijk als tegeltje aan de muur hangen. Want het is altijd de grootste opgave om om het materiaal heen te draaien en een ingang proberen te vinden. Een sleutel die de deur openmaakt, waarachter het stuk zich als een kamer toont. Ik moet dan zorgen dat mijn fantasie niet met me op de loop gaat, omdat ik in mijn muziek streef naar helderheid en eenvoud. Keep it simple, stupid.

In de volgende blog vertel ik wat over de uitwerking van de fragmenten, over instrumenteren en het tot bloei laten komen van de klank. En over het zoeken naar een geschikte titel, want dat is soms ook een opgave. Maar meestal dient die zich aan het eind toch vanzelf aan, zoals ook nu weer.

Snelheid

Bij een ouverture hoort snelheid. Lichtheid. Op een feestje moet tenslotte gedanst kunnen worden. Geen trage zwaarmoedigheid dus voor mijn orkestwerk voor het Noord Nederlands Orkest, maar tempo tempo tempo. En het liefst een meezinger.

De afgelopen weken heb ik wat schetsen opgezet waarin ik die snelheid probeer te maken. Tempo komt meestal van een motortje dat al aanstaat als de muziek begint. Soms in de klarinetten, soms in de strijkers of marimba's.

In een van mijn laatste stukken, Impure, heb ik dat machientje tot onderwerp van het stuk gemaakt. De muziek dendert minutenlang voort. Het enige dat verandert, zijn de akkoorden en de instrumentatie.



Ik heb zitten luisteren naar hoe andere componisten dat doen, snelheid maken. De Walkürenritt van Richard Wagner vind ik een geweldig voorbeeld: je hoort hoe de violen de machine starten. De blazers zetten een galop in en de walküren vliegen om je oren. De snelheid is die van vóór de stoomtrein, maar het stuk tilt je nog steeds van de grond.
Adembenemend.



Van ver ná de stoomtrein is Short Ride in a Fast Machine van John Adams, een van mijn favoriete orkestwerken als het om vaart gaat. De klarinetten zijn hier het motertje dat alles aanzet, met het woodblock als straffe aanjager.

De manier waarop Adams het orkest gebruikt, is bijzonder. De minimal music was (okee, er zijn uitzonderingen zoals Philip Glass) vooral het terrein van ensembles. Maar Adams maakt opera's en orkestmuziek waarin hij het romantische grote gebaar van Wagner koppelt aan de gemotoriseerde klank van deze tijd.

Het zingende koper tegen het einde roept bij sommigen weerzin op (Kitsj! Hollywood!), maar daar heb ik gelukkig geen last van. Waanzinnig hoe de zon op die plek doorbreekt. En hoe Adams er bovendien de vaart er weet in te houden.



En nou we toch bezig zijn: een van mijn andere favoriete componisten is Steve Reich. Anders dan Adams vindt Reich het niet erg om zijn materiaal in een aantal minuten op te bouwen en te recyclen. Waar Adams het veranderende uitzicht in zijn fast machine benadrukt, is Reich gefascineerd door het voertuig waarin hij rijdt.

Zoals in Three Movements, een van de weinige werken die hij voor orkest heeft gemaakt. In het derde deel hoor je hoe hij de tijd laat vollopen met met bijna niks. Grote klasse. Aan het eind zit een bekende Reich-truc: hij trekt de bas onder zijn muziek vandaan en de muziek lijkt de laatste maten gewichtloos op te stijgen.



Het luisteren naar dit soort muziek brengt me op nieuwe ideeën. Maar behalve geluisterd moet er natuurlijk ook gewerkt worden. Er staan al wat fragmenten stationair te draaien, wachtend op een trap op het gaspedaal.

In het volgende blog laat ik wat horen.

Belofte


Aerial, door het Noord Nederlands Orkest o.l.v. Stefan Vladar, met Ralph van Raat op piano (2010)

De opdracht: schrijf een ouverture-achtig stuk voor het Noord Nederlands Orkest, voor de opening van de vernieuwde Lawei in Drachten. Een feeststuk dus, snel en licht, als eerste van een drietal werken dat ik de komende twee seizoenen voor het orkest mag maken. Ik heb er veel zin in.

Louis Andriessen zei ooit dat componeren net zoiets is als koekjes bakken. Maar hoe bedenk je muziek? Hoe verdeel je die noten over de instrumenten? Op inspiratie wachten is niet handig, je moet jezelf trainen muziek te bedenken zodra je achter je computer of piano gaat zitten.

Neem een componist als Igor Stravinsky, die er naar eigen zeggen een ijzeren werkschema op nahield. Niks geen wachten op inspiratie, maar gewoon iedere ochtend beginnen met wat contrapuntoefeningen en dan volgens een vast schema de werkdag door componeren. Elke dag, weer of geen weer. Koekjes bakken voor gevorderden.

Elke nieuwe compositie begint met een vonk. Sommige componisten vragen zich af 'wat zou er gebeuren als'. Anderen hebben een melodie in hun hoofd die zich een weg naar buiten probeert te werken. En weer anderen maken abstracte schema's die ze langzaam laten vollopen met tijd en klanken.

Voor mij geldt dat ik de contouren van een stuk meestal voor me zie verschijnen. Ik zeg 'zien' want met horen heeft het in die eerste fase nog niet veel te maken. Het lijkt alsof ik de muziek alleen nog maar uit de lucht hoef te plukken en op hoef te schrijven. Ieder nieuw stuk is een belofte, die alleen nog maar ingelost hoeft te worden.

Maar dan begint het werk pas, het zoeken om ook maar een beetje in de richting te komen van wat ik me had voorgesteld. Ik probeer de klanken te pakken en op papier vast te spijkeren. Hoe dichterbij ik kom, hoe concreter alles wordt.

Vaak is het zo dat ik al werkend op plekken kom die ik niet had voorzien. En dat het stuk in wording een eigen leven gaat leiden. Maar als het goed is, valt het uiteindelijke werk samen met die belofte waarmee het allemaal begon.

Deze week ben ik begonnen met werken aan de NNO-ouverture, die in oktober gespeeld gaat worden. Ik heb nog geen titel en nog geen noot op papier gezet. Maar de vonk is al opgelicht. De belofte doemt al op in mijn hoofd.

2014-2015: composer in residence @Noord Nederlands Orkest

9d22ae05e74d52a0c125770000495968_wpicture1_1

In season 2014-2015 I will be composer in residence at the Noord Nederlands Orkest. This year, I will be composing a festive overture for the opening of the renovated De Lawei in Drachten. I will also write another new work, plus a Steve Reich orchestration. And I will be writing a weblog for the NNO on a regular basis, dealing with subjects like composing for orchestra and the like.

NNO is highly praised for its artistic accomplishments during the last few years. Paul Janssens, critic for Mens en Melodie (June 2003), acclaimed magazine for classical musical professionals, described the NNO as “The best and most adventurous regional orchestra of the Netherlands”.

Each season many Dutch and world premieres as well as the high level of performance contribute to this point of view. In 2006 the orchestra was nominated for the prestigious VSCD Klassieke Muziekprijs (Classical Music Award of the association for the combined theaters and concert halls in the Netherlands) “for it’s adventurous and daring programming of classical repertoire and other styles of music”.

I'll keep you posted!