Louis Andriessen

"Ik ben nog steeds erg kwaad": Louis Andriessen over Mysteriën

Dit artikel verscheen op 29 augustus 2013 in Trouw, als vooruitblik op de première door het Koninklijk Concertgebouworkest. Foto: Mark Kohn

page0011

Componist Louis Andriessen droeg ooit het symfonieorkest ten grave. Nu heeft hij toch een werk geschreven voor het Concertgebouworkest, Mysteriën. "Ik heb mijn politieke bezwaren opzijgeschoven."

In het werk van Nederlands belangrijkste componist Louis Andriessen (1939) speelt het orkest een opvallend kleine rol. In de eerste plaats om politieke redenen: na zijn orkestwerk Anachronie I (een titel die verwees naar het orkest als dinosauriër in muziekland) besloot Andriessen in de turbulente jaren zestig zijn eigen ensembles op te richten. En daarmee werd de componist een van de belangrijke motoren voor de tot voor kort bloeiende Nederlandse ensemblecultuur.

Niet dat Andriessen de afgelopen 45 jaar alleen maar ‘kleine werken’ heeft gecomponeerd: zijn oeuvre reikt van solostukken tot opera’s. Elk werk vraagt bovendien om een eigen, speciale bezetting en krijgt daarmee een uniek karakter. Maar orkestwerken heeft hij sindsdien nooit meer gemaakt.

Wat dat betreft is zijn nieuwe Mysteriën, voor het jarige Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) en Concertgebouw, een breuk met dat lang volgehouden standpunt. En misschien komt dat wel door de vasthoudendheid van de artistiek directeur van het KCO Joel Fried, die Andriessen drie jaar lang probeerde over te halen een nieuw werk voor zijn orkest te schrijven.

“Ik vroeg Fried hoe hij in godsnaam op dat idee was gekomen”, zegt Andriessen. “Ik had altijd dezelfde argumenten: ten eerste bevalt het orkestrepertoire me niet. En hebben orkestmusici te weinig ervaring met de manier waarop mijn muziek gespeeld moet worden. Bovendien interesseert de bezetting me weinig. Ik wil bijvoorbeeld niet dat vette, zware strijkorkest maar wel een hoop andere instrumenten die niet in het orkest zitten. Enfin, zo zat ik maar wat te mopperen. Dat heb ik een hele tijd volgehouden, met het gevoel dat er nooit wat zou veranderen.”

Ten slotte vroeg Fried of Andriessen een werk zou willen maken voor het gezamenlijke 125-jarige jubileum van orkest en gebouw. Belangrijk argument voor Andriessen was daarbij dat hij het KCO mocht uitdunnen en dat hij instrumenten mocht aantrekken die niet standaard in het orkest zitten. Basgitaren en saxofoons bijvoorbeeld. Met andere woorden: Andriessen mocht doen wat hij wilde.

“Toen kwam het politieke argument naar boven”, zegt de componist. “Daar ben ik niet uit gekomen. Er is eigenlijk niks veranderd sinds de jaren zestig. Het is zelfs erger geworden. De dingen die mijn generatie voor elkaar heeft gekregen, zoals de ensembles, zijn intussen allemaal afgeschaft. Ik heb daar heel lang over na moeten denken. Ik had ook geen zin in het verwijt dat ik als oude notenkraker nu ineens voor orkest ging schrijven. Alsof ik daarmee een verrader zou zijn.”

Uiteindelijk schoof Andriessen zijn politieke bezwaren opzij: “Anders stop je als componist een prop in je eigen mond. Je kunt dan geen kant meer op. Ja, je kunt trio’s of kwartetten gaan schrijven. Maar meer zit er dan niet in.”

Is Mysteriën het bewijs dat het symfonieorkest niet ten dode is opgeschreven? En dat dat instituut de jaren zeventig heeft overleefd? “Dat het zo is gelopen, is maar schijn. Dat komt omdat we een ultrarechtse regering te hebben, die uitsluitend doet wat het bedrijfsleven wil. Die chique dingen zoals het KCO, die laten ze een beetje met rust. Daar wordt van gezegd dat het goed is voor de buitenlandse betrekkingen. Maar de rest van de cultuur is volgens hen toch maar gekkigheid. Ik wil nog wel eens zien hoe het er over vijftig jaar uitziet. Je kunt misschien wel zeggen dat die orkesten goed bezig zijn, maar sommige hebben de hele twintigste eeuw intussen overgeslagen. Terwijl ze zich daar goed in zouden kunnen thuisvoelen. Maar dat is gelukkig hun zorg, niet de mijne.”

In eerste instantie zocht hij zijn inspiratie bij de vroege meerstemmigheid van de renaissancecomponist Guillaume Dufay, want van de negentiende-eeuwse Duitse muziek moet hij nog steeds niet veel hebben. “Maar hoe meer ik over het nieuwe werk nadacht, hoe duidelijker mijn vader [de componist en organist Hendrik Andriessen, AF] en zijn vrienden me voor ogen kwamen. De componist Alphons Diepenbrock bijvoorbeeld, die ik altijd heel hoog heb geacht. En natuurlijk Matthijs Vermeulen. Langzaam verschoven mijn gedachten over het stuk zo naar het begin van de twintigste eeuw. En op een gegeven moment zag ik mijn overleden vader naast me staan, die zei ‘Ach jongen, dat moet je nou maar doen;’.”


Radicale gekkigheid



In diezelfde periode pakte Andriessen De navolging van Christus van Thomas a Kempis uit zijn boekenkast, een boek uit de nalatenschap van zijn vader. “Het is een soort Lao Tze van radicale gekkigheid. Toch is dat kleine missaaltje me heel dierbaar. Mijn vader heeft twee liederen gemaakt met teksten uit dat boek: Fiat Domine en Magna res est amor.”

De mystiek vormde al vaker het onderwerp in Andriessens werk. Het lijkt een tegenstrijdigheid dat zo’n actieve links-politieke kunstenaar zich bezighoudt met dat katholieke erfgoed. “Door mijn opvoeding heb ik een natuurlijke verbintenis met alles wat raadselachtig is”, aldus Andriessen. “Dat lijkt me de beste manier om het te zeggen. Vandaag de dag beschouw ik godsdienst, kunst of filosofie allemaal als ideeën die zich in de creatieve geest van de mens afspelen. Daar hoort politiek ook bij. Waarom wij als provo’s de straat opgingen om tegen de oorlog in Vietnam te protesteren, was omdat we een betere wereld wilden.

“‘De wereld is er om uiteindelijk te leiden tot theater’, zegt Mallarmé al. Als je er zo over nadenkt, maakt het allemaal niet zoveel uit. Of ik gelovig ben? Wat nou gelovig? Ik geloof toch ook in Hamlet, of in Medea? Dat zijn allemaal interessante, niet-bestaande figuren. En dan kan je ook over goden praten, dat maakt mij niet zoveel uit. Met een beetje goede wil kan je zeggen dat mijn stukken op tekst, vanaf het Vietnamlied via De Staat en De Tijd tot en met La Commedia, allemaal over dat theater van de wereld gaan. Die lijn ontwikkelt zich van politiek naar – noem het maar even mystiek als je wilt. Maar filosofie is een beter woord, vind ik.”

Andriessen besloot een orkestwerk in zes delen te schrijven. Elk van de delen draagt een hoofdstuktitel die ontleend is aan De navolging van Christus. Waar de componist in eerste instantie in zijn gedachten over het nieuwe stuk A Kempis verbond met diens tijdgenoot Dufay, bleek hij de saxofoons en basgitaren helemaal niet nodig te hebben. En hield hij een min of meer gewoon orkest over: twee piano’s, twee harpen (plus een harp die een kwarttoon lager gestemd is), geen fagotten. En een kleiner strijkorkest dan normaal – dat dan weer wel.

“De keuze van de titels voor de delen lag vast toen ik begon aan het eerste deel. Rond die tijd ontstond ook de titel van het hele stuk, Mysteriën. Het heette aanvankelijk ‘Het grote zwijgen’ en het had toen een politiekere strekking. Want die tekst van Nietzsche is geen pretje. Diepenbrock zag er prachtige natuurbeschrijvingen in, maar Nietzsche is er erg boos op het grote zwijgen van de zee. Zo van ‘praatjesmaker, lig je daar een beetje aanstellerig te zwijgen’. Ik ben nog steeds erg kwaad over wat er zich op dit moment in de politiek afspeelt. Niet alleen op cultureel gebied.”

Is die politiek uiteindelijk niet in het stuk terecht gekomen? “Dat is nog maar de vraag. Dat zwijgen heeft een mysterieus karakter, vooral in het derde en centrale deel ‘Wat de waarheid ons zegt zonder het lawaai van woorden’. Dat is in wezen een pleidooi voor de stilte, er gebeurt bijna niks. Ik moest denken aan het woord ‘nauwluisterendheid’, ooit gemunt door de Stichting Huygens Fokker, die zich met kwarttoonmuziek bezighoudt. Zo kwam ik op het idee om kwarttonen te gebruiken in een deel van het orkest: je moet heel goed luisteren wil je die stem, van God of van de wijsheid of wat dan ook, kunnen horen.”


Wereldse ijdelheden

Andriessen noemt zijn delen ‘fresco’s’, niet een soort kruisweg waar een verhaal aan ten grondslag ligt. Het is volgens hem alsof je een kerk binnenloopt en zes schitterende afbeeldingen ziet, waarvan je niet onmiddellijk weet wat ze voorstellen.

Zijn keuze voor contrasterende titels en onderwerpen gaf hem de mogelijkheid verschillende muzikale onderwerpen aan te snijden. “Het eerste deel gaat over de ‘wereldse ijdelheden’: in dit geval veel noten. Iedereen heeft het heel druk met zichzelf en gedraagt zich belangrijk, uitmondend in een koraal. De onrust steekt drie keer de kop op, en wordt iedere keer tot de orde geroepen door strenge klokken. In deel twee hoor je de typische Andriessen, met een melodie waarvan veel mensen denken ‘waar lijkt die op’? Maar dat ga ik je niet vertellen. Het is een belangrijk thema, dat later in het werk terug komt.

“In het vierde deel citeer ik het Magna res est amor van mijn vader, zeer vertraagd en met een litanie-achtige reactie. In het vijfde deel doe ik iets dat eigenlijk niet kan: ik laat muziek horen die tegelijkertijd snel en langzaam is. Simpele noten, die een beetje doen denken aan Amerikaanse orkestmuziek uit de jaren vijftig en zestig.”

Het zesde en laatste deel, ‘De overweging van de dood’, was het moeilijkst om te maken, zegt Andriessen. Dat kwam doordat het deel daarvóór bijna triomfantelijk eindigt, alsof het een finale is. Het slotdeel werd een soort catharsis, maar niet alleen een berusting: “Aan het eind komt nog een laatste uitbarsting, als een schreeuw. En vervolgens doe ik alsof er niets is gebeurd, met een prachtig langgerekt A-majeur-akkoord.”

Is dat niet gewoon een ‘amen’, na alles? “Nee, dat is het niet. Want het bestaat maar uit één lettergreep: ‘A!’, of ‘Ho!’, of zo.”

Andriessen Mysteriën en Gordon 'Decasia', door het NNO onder Kasper de Roo:
17/4 Oosterpoort, Groningen; 18/4 De Doelen, Rotterdam.