"Weg vibrato, welkom retoriek!"

Bruggen

Oorspronkelijk gepubliceerd in Trouw (30 oktober 2009) bij de box met Beethoven-symfonieën door het Orkest van de Achttiende Eeuw die de krant opnieuw uitbracht, naar aanleiding vande 75e verjaardag van Frans Brüggen.

De beste opnames van de symfonieën van Beethoven staan al ruim vijfentwintig jaar op naam van het Orkest van de Achttiende Eeuw, onder zijn dirigent en oprichter Frans Brüggen. Op de plaat gezet tussen 1984 en 1993 zijn de werken daarna nooit meer overtroffen in frisheid van klank; in de schok die het wendbare orkest bij iedere beluistering weer veroorzaakt, soms bijna uit zijn voegen barstend, dan weer zacht ruisend, maar altijd spelend alsof de symfonieën gisteren werden gecomponeerd; of in het diepe begrip van Beethovens taal.

Er was de laatste jaren eigenlijk maar één onoverkomelijk probleem rond die cd-box met de complete symfonieën: hij was niet meer te koop. “Pas als Frans uit een vliegtuig valt, wordt die serie weer opnieuw uitgebracht”, grapte mede-oprichter en directeur van het Orkest van de Achttiende Eeuw Sieuwert Verster weleens.

Maar zo lang hoeven we gelukkig niet te wachten: de naderende vijfenzeventigste verjaardag van Brüggen (30 oktober 1934) is een mooie gelegenheid om een nieuwe generatie Beethoven-luisteraars kennis te laten maken met de nog steeds revolutionaire opnames. “Van vijfenzeventig vind ik verder niks”, zegt Brüggen met een grap. “Behalve dat journalisten daar op afkomen omdat jullie verwachten dat ik geen tachtig word.”

Het Orkest van de Achttiende Eeuw werd in 1981 opgericht met in eerste instantie als doel de muziek van Bach tot en met Mozart (“Tot en met Schubert”, verbetert Verster) uit te voeren zoals de componisten het bedoeld hadden. Met instrumenten uit die tijd, of toch in ieder geval kopieën daarvan, en volgens de historische juiste stijl. Weg met de eeuwige strijkersvibrato’s, welkom retoriek! Mozart uitgevoerd door het Concertgebouworkest was een leugen. Aldus Brüggen.

Toen Brüggens orkest in 1981 zijn eerste Beethoven-symfonie instudeerde, kwamen de musici net ‘uit Haydn’. “Ik weet nog dat het voor het hele orkest, inclusief mezelf, een schok was”, herinnert de dirigent zich. “Het was echt een nieuw hoofdstuk in ons bestaan.”

Verster vult aan: “We zijn alle symfonieën de jaren daarna in volgorde gaan uitvoeren. Iedere keer vroegen we ons wel af ‘hoe ver kunnen we de grenzen van het repertoire oprekken?’ Eerst dachten we dat de Eerste symfonie het einde was. Bij de ‘Eroica’ zeiden we wederom: verder komen we niet. Dat is jarenlang zo gebleven. Er is zelfs strijd gevoerd binnen het orkest, of we wel of niet de ‘Pastorale’ of de Negende zouden doen.”

Op de vraag waaróm Beethoven zo schokkend was voor het orkest, antwoordt Brüggen zonder aarzelen: “de dynamiek, de extréme dynamiek.” Hield Haydn die parameter in zijn symfonieën volgens de dirigent nog binnen de perken, bij Beethoven speelt het orkest van meet af aan van fluisterzacht tot brullend hard.

Brüggen: “De muziek van Beethoven heeft veel met Haydn te maken – Beethoven was zijn directe erfgenaam. Maar die dynamiek, die wordt je zowat onder de neus geduwd. Dat moet je leren en durven als orkest. Je moet het met een bepaald instrumentarium en met een bepaalde geestesgesteldheid doen. Beethoven had een gunstig effect op het Orkest van de Achttiende Eeuw. Het werd hiermee definitief uit de barokke poel getrokken, richting Clacissisme en Vroeg-Romantiek.”

Naar eigen zeggen haalde Brüggen in de jaren tachtig honderden fouten uit de tot dan toe gangbare Beethoven-partituren. Tien jaar geleden verscheen eindelijk een wetenschappelijke editie van alle symfonieën, verzorgd door Jonathan Del Mar: “Die heeft werkelijk alles gezien. Hij is in alle archieven geweest waar ieder snipertje ligt: velletje hier, partijen daar, drukproeven die wél waren gecorrigeerd door Beethoven, drukproeven die níet waren gecorrigeerd door Beethoven, enzovoorts. Een heidens werk.”

Zou Brüggen de symfonieën naar aanleiding van die editie nu heel anders opnemen? “Ik zou wel degelijk een aantal dingen van Del Mar overnemen. Je moet als uitvoerder nog steeds een keuze maken, hoor. Destijds heb ik zelf de gangbare partituren vergeleken met de originele drukken. Belangrijker was dat ik zó veel partituren had gezien van Beethovens voorgangers, dat ik wist waarom sommige dingen op een bepaalde manier genoteerd zijn. Dat is een ander soort kennis.”

We gaan de Beethoven-symfonieën even kort langs. Brüggen somt op: “De Eerste is een Haydn-symfonie. Maar de allereerste noot is wel meteen een kletterende dissonant. Dat was nog nooit eerder vertoond, behalve in een enkele Bach-cantate. De Tweede is ook nog steeds een beetje een aangescherpte Haydn-symfonie. Een buitengewoon geestig stuk. De Derde, de ‘Eroica’ is natuurlijk een wonder op zichzelf. Daar is het beest los. Ik denk dat het erg te maken heeft met de ontwikkeling van zijn temperament, met zijn voortschrijdende doofheid, met zijn onvrede en zijn woedeaanvallen, waar hij zich helemaal niet meer voor schaamde. Hij had ook een grote minachting voor alles wat op een instrument speelde. Dat merk je in zijn symfonieën: hij breekt het orkest werkelijk kapót!”

Daarna begint volgens Brüggen het proces bij Beethoven dat hij na zo’n uitputtingsslag een stapje terugdoet bij de volgende symfonieën. “Dus Vier is weer… een prachtig stuk, een prachtig stuk. Maar vergeleken met de ‘Eroica’ een grote stap terug. In opstandigheid. Waar de Derde een heldensymfonie is, is de Vijfde een typische vrijheidssymfonie. Voor het eerst hoor je een fagot, een piccolo en trombones in het orkest. De Zesde is weer de bekende stap terug, een natuurschildering. De Zevende is een soldatensymfonie, geschreven voor een herdenkingsconcert naar aanleiding van de slag bij Hanau.”

“De Achtste is weer een stapje terug maar is wel heel bijzonder. Volgens musicoloog Arnold Schering is het werk een toonzeting van ‘De tovenaarsleerling’ van Goethe. De Achtste gaat over automaten: het eerste deel over de meester en de leerling, over de doorgelagen bezems. Het tweede deel is metronoom van Maelzel, een nieuwe uitvinding in die tijd. Naar mijn vermoeden is het derde deel de verklanking van weer een andere automaat: een Weens pneumatisch reuzenorgel dat in staat was met lucht een heel orkest te verbeelden, met alle instrumenten. Het vierde deel kan ik niet helemaal duiden, maar is waarschijnlijk een vervolg op het eerste deel, met de dans van de waanzinnig geworden bezems. En nou ja, de Negende symfonie spreekt voor zichzelf.”

Anders dan bij conventionele orkesten speelden de musici van het Orkest van de Achttiende Eeuw Beethoven destijds voor de eerste keer. Brüggen: “Dat was een gedeelte van het slagen, dat het hartstikke modern voor ons was. Iedereen zat op het puntje van zijn stoel avant-gardemuziek te maken. Veel orkesten en hun leiders gaan de verkeerde weg. Die gaan niet met de geschiedenis mee, maar die gaan naar achteren. Na al die muziek van Brahms en Wagner is Beethoven voor hen een interessante oefening, niets opzienbarends. Maar voor ons was dat het wel.”

Het belangrijkste wat die reguliere orkesten van de oude muziekbeweging hebben geleerd, zegt Brüggen, is dat muziek niet alleen een klankgebeuren is, waarbij het altijd maar zo mooi mogelijk moet klinken. Maar dat muziek tot ver in de negentiende eeuw ook een aspect heeft van lelijkheid, van ruigheid, van taal en retorica.

Juist dat aspect wordt volgens Brüggen nogal eens vergeten door moderne orkesten. Zo zit de muziek van Bach, Mozart en Beethoven vol met retorische formules voor een zin, een punt, een vraagteken of een uitroepteken. Die kennis is in de loop van de negentiende eeuw verdwenen – door de Franse Revolutie en later door de industrialisering. “Bij Brahms merk je dat hij de traditie van de ‘sprekende muziek’ nog kent. Terwijl je na Wagner alles apert prachtig en laaiend moet laten klinken. En expressief, ook als dat retorisch gesproken niet nodig is.”

Het verschil tussen Beethoven met een modern orkest en het Orkest van de Achttiende Eeuw zit hem voornamelijk in wat Brüggen ‘de samenstelling van ons geluid’ noemt: “Door de darmsnaren en door de bouw van de blaasinstrumenten ligt het percentage puur sinusgeluid en geruis anders dan bij een gemoderniseerd orkest. Ik schat dat wij met ons orkest tachtig procent geluid maken en twintig procent geruis. Bij een gemoderniseerd orkest is dat zeker 95 procent geluid. Daardoor lijken wij veel agressiever en harder te spelen dan een modern orkest, terwijl we in werkelijkheid natuurlijk veel zachter zijn. Die ruis-klankverhouding komt bij Beethoven zeer goed van pas. Omdat je het orkest ermee in zijn voegen kunt laten rammelen.”

Kan Brüggen zich voorstellen dat hij met zijn orkest nog eens opschuift naar de muziek van Wagner? “Als we dat zouden doen, zouden we dezelfde fout maken waartegen we geprotesteerd hebben in geval van het Concertgebouworkest. We vonden het onterecht dat die Mozart en Haydn confisceerden. Dat was ons punt.”

Is dat punt nog steeds geldig? “Nou nee, de reguliere orkesten zijn zo verstandig geweest alleen nog specialisten voor dat repertoire te vragen. Ze hebben die stap gelukkig gemaakt. Het is duidelijk dat de oude muziekbeweging internationaal haar stempel heeft gedrukt op het conventionele symfonische muziekleven.”

Verster: “Als Mariss Jansons Haydn gaat uitvoeren, belt hij van tevoren met Frans.”

Brüggen: “Jansons heeft zelfs een keer een hele reeks repetities bij ons gezeten: partituur op schoot, na afloop vragen stellen.”

Verster: “En Jaap van Zweden bijvoorbeeld, die luistert altijd naar ons. Hij wilde het orkest zelfs dirigeren.”

Brüggen: “Ze hebben zich allemaal behoorlijk gespiegeld aan ons.”

Spiegelen of niet, toch is er één wezenlijk verschil met andere orkesten. Volgens een samen-uit-samen-thuis-principe heeft het Orkest van de Achttiende Eeuw ooit de afspraak gemaakt zichzelf op te heffen zodra Brüggen niet meer wil. Al heeft die voorlopig nog energie en plannen genoeg.

Verster: “Zodra het niet meer gaat, stoppen we. Al je in 1981 begint en bij elkaar wilt blijven, moet je aan dat credo vasthouden. We hebben als orkest een gelukkig leven. We zijn éen groot zondagskind en we moeten voorkomen dat het een sleur wordt. Maar we gaan wel gewoon zo lang mogelijk door.”

Brüggen: “Daar komt nog iets anders bij. Het orkest en ik zijn zó aan elkaar verslaafd, dat het orkest geen gastdirigenten meer wil. Terwijl het toch niet de minsten waren die er voor stonden. Dat is toch zo hè, Sieuwert?”

Verster: “Net zoals bij ensembles en popgroepen tellen personages enorm. Je hebt orkesten waarvan je hoopt dat ze er over honderd jaar nog zijn. Maar dat is een keuze. Wij hebben een andere keuze gemaakt.”

Bruggen: “Het is toch gek dat een orkest altijd maar zou willen blijven bestaan…”