Vijf vragen aan…Anthony Fiumara

2863643809

Op 17 november gepubliceerd op de site van het
Noord Nederlands Orkest

Composer in residence bij het Noord Nederlands Orkest Anthony Fiumara maakte voor het concert ‘What’s on David Bowie’s Playlist’ onder de titel Bowie XL for orchestra een compilatie van de grote Bowie-hits. Het NNO stelde hem vijf vragen, over zijn eigen relatie tot het internationale popicoon David Bowie.

Ben je zelf een Bowie-fan?
‘Een echte fan zou ik mezelf niet durven noemen. Maar toen ik voor Bowie XL weer eens uitgebreid naar zijn werken luisterde, raakte ik weer onder de indruk van de enorme hoeveelheid hits die Bowie de wereld heeft geschonken. Wat een output! Bowie is bovendien een echte rockster. In de loop van zijn carrière heeft hij zichzelf telkens opnieuw uitgevonden en gaat hij moeiteloos mee met zijn tijd—of eigenlijk loopt hij vaak net een beetje vooruit en volgt iedereen hem daarna. En toch herken je zijn songs uit duizenden. Hoewel Bowies songs simpel lijken, zijn ze onder de motorkap vaak best complex. En er zit altijd een donkere kant in zijn muziek: zelfs ogenschijnlijk lichte tracks zoals Let’s Dance dompelt hij uiteindelijk onder in melancholie. Die onbestemde tweeslachtigheid, die zwarte diepte onder het glimmende oppervlak, die vind je ook terug in zijn uiterlijke verschijning. En zelfs in zijn twee verschillende oogkleuren.’

Wanneer kwam je voor het eerst met zijn muziek in aanraking?
‘Ik zie mezelf als kleine jongen thuis voor de televisie zitten (TopPop?) en gebiologeerd luisteren en kijken naar Sound and Vision, van de LP Low. In mijn herinnering was er een videoclip bij de muziek, maar die heb ik nooit meer teruggevonden. Misschien heb ik die er later bij verzonnen, maar zeker in zijn vroege werk vind ik Bowie bijna filmische muziek maken.’

Voor het concert arrangeerde je de nummers Space Oddity, Heroes, Life on Mars, Sound and Vision, Heathen (The Rays) en Let’s Dance. Wat zijn jouw persoonlijke Bowie favorieten?
‘Ik vind Bowie echt een album-artiest: de LP’s die hij maakte, vormen stuk voor stuk één verhaal. Op die albums staan wel nummers die ik beter gelukt vind dan andere, maar toch luister ik vaak een hele LP. Dat is bijzonder. De LP’s Low, Heroes, Station to Station en Let’s Dance zijn mijn favorieten. Zijn samenwerkingen met producers Tony Visconti, Brian Eno en Nile Rodgers leveren daar een chemie op die nog steeds van de muziek afknettert.’

Hoe pak je dat aan, zo’n bewerking van wereldberoemde nummers?
‘De opdracht was om dicht bij het origineel te blijven: de Bowie-fans moesten bij wijze van spreken met het orkest kunnen meezingen. Eerst heb ik een long list gemaakt, die ik geleidelijk aan heb ingedikt tot deze zes tracks. Ik heb gekeken welke nummers het interessantst zouden klinken voor orkest, maar ook naar een goede afwisseling tussen snelle en langzame songs. Daarna ben ik gaan puzzelen. Om het een beetje moeilijker voor mezelf te maken, heb ik de nummers in de oorspronkelijke toonsoorten laten staan. Dat betekende dat ik slimme overgangen moest maken, waardoor de songs op een natuurlijke manier in elkaar overvloeien. En ik moest een ’tonaal plan’ hebben, om te kijken hoe ik van de ene naar de andere toonsoort reisde zonder dat het ontspoorde. Ik wist meteen dat ik zou beginnen met Let’s Dance: in mijn hoofd hoorde ik het orkest die riff al spelen voordat ik hem op papier had. Dat de hoorns vervolgens Space Oddity inzetten en aankondigen, volgde daar logisch uit.’

Bowie was voor velen – ook buiten de muziekwereld – een bron van inspiratie. In hoeverre geldt dat ook voor jou?
‘Niemand in de popmuziek kan om Bowie heen: hij heeft zó veel stromingen geïnitieerd of beïnvloed, om vervolgens altijd weer zijn eigen weg te bewandelen. Dat is heel sterk. Ik denk dat ik zelf door de Low Symphony en de Heroes Symphony van Philip Glass met andere oren ben gaan luisteren naar Bowie. Glass vergroot bepaalde aspecten uit Bowies songs die ik tot dan toe niet zo bewust had waargenomen. Die persoonlijke vertaling van pop naar klassiek is zeker een inspiratie geweest voor mijn eigen bewerkingen: van Aphex Twin en Massive Attack tot Terry Riley en Brian Eno.’